Carnaval

Carnaval (ook wel 'vastenavond' - Vooravond van het vasten) is een van oorsprong katholiek feest, dat ook heidense wortels heeft en gevierd wordt in de drie dagen voorafgaand aan Aswoensdag. Volgens de traditie duurt het feest van zondag tot dinsdagavond - de Vastenavond. Om middernacht vangt de vastentijd aan van 40 dagen, tot Pasen.

Oorsprong

De oorsprong van het woord is onbekend.[1] Van oudsher is carnaval een eetfestijn, omdat het de laatste mogelijkheid was zich te buiten te gaan voor de vastentijd, waarin men zich beperkte tot het minimaal noodzakelijke. De herkomst kan met redelijke zekerheid worden herleid van de Latijnse uitdrukking carne vale, dat vertaald naar het Nederlands zoveel betekent als "afscheid van het vlees"[2]; dit werd een soort ritueel om de vastentijd in te luiden. Hiermee werden ook vleselijke lusten bedoeld.

Op vette dinsdag (voor de vasten) werd al het vet wat er in huis was opgemaakt omdat het anders zou bederven. De vasten is ter herdenking van de 40 dagen die Jezus volgens het Nieuwe Testament in de woestijn vastte en tevens tot bezinning op de christelijke kernwaarden.

Waarschijnlijk bestond het feest al langer dan de christelijke traditie, en heeft de Kerk het gemakkelijker gevonden het heidense carnaval in een katholieke traditie om te zetten dan het uit te bannen. Dit is overigens ook met andere voorchristelijke feesten gebeurd zoals Kerstmis dat oorspronkelijk een 'heidens' midwinterfeest was.

In die betekenis wordt de term afgeleid van het Latijn: carne vale (= vaarwel aan het vlees). Maar ook de uitleg dat de term een samentrekking zou zijn van het Latijnse carne (vlees) en valere (regeren) wordt gegeven; letterlijk dus de tijd dat het vlees regeert. Ook zou de oorsprong kunnen liggen bij het Italiaanse "carnueale" of het Franse "carne-avalis". Beide betekenen zoveel als vlees verslinden. Een andere mogelijke verklaring voor de term is het eveneens Latijnse carrus navalis: scheepswagen, hetgeen zou verwijzen naar rondtrekkende groepen in een als een schip ogende wagen of kar, het zogenaamde narrenschip, maar ook kan slaan op het schip waarmee de god van de zee der Kelten/Germanen uit het noorden kwam om deel te nemen aan de winterfeesten.

De Romeinen vierden het feest van de saturnaliën dat veel kenmerken van het hedendaagse carnaval had zoals drink- en eetgelagen, een soort prins carnaval, vermommingen en optochten door de straten.

Het 'heidense' carnaval werd in heel Europa gevierd. In Rusland bijvoorbeeld, is dit feest bekend onder de naam maslenitsa (vrij vertaald: boterfeest). Antropologisch gezien is het carnaval een omkeringsritueel, waarin maatschappelijke rollen worden omgedraaid en normen over gewenst gedrag worden opgeschort.

De datum van carnaval

De carnavalsdatum vindt zijn huidige oorsprong in de kerkelijke kalender, die gerekend wordt vanuit Eerste Paasdag. Paaszondag is, volgens het Concilie van Nicaea (325 na Christus), de eerste zondag na de eerste volle maan na het begin van de lente (21 maart). De vastentijd begint 40 dagen voor Eerste Paasdag. De eerste Carnavalsdag valt dan zes weken voor Eerste Paasdag. Carnaval begint officieel op zondag.

Pasen kan op zijn vroegst op 22 maart vallen en op zijn laatst op 25 april. Als gevolg daarvan is het vroegst mogelijke carnaval op 1 februari; de laatst mogelijke datum is 9 maart.

In het Oost-Vlaamse Ronse wordt op de zaterdag vóór de eerste maandag na Driekoningen de Bommels gevierd, waarvan de wortels getraceerd kunnen worden tot in de Middeleeuwen. Het carnaval in het naburige Zottegem wordt gevierd op de eerste zaterdag van het nieuwe jaar, behalve als die op 1, 2, 3 of 4 januari valt. Carnaval Zottegem vindt zijn oorsprong in vroegere driekoningenvieringen.

Carnaval in Nederland

In Nederland worden twee soorten carnaval gevierd: Het Rijnlands carnaval en het Bourgondisch carnaval.

De Rijnlandse variant wordt veelal in Limburg en het zuidoosten van Noord-Brabant gevierd, de Bourgondische variant in het noorden en westen van Noord-Brabant en in Zeeland. De traditie om de stedennamen te veranderen komt uit Noord-Brabant en wordt in Limburg weinig gedaan. Het Rijnlandse carnaval in Nederland is een afgeleide van het Keulse carnaval. Het Bourgondische carnaval is ontstaan uit de traditionele eetfeesten tijdens carnaval in de Zuidelijke Nederlanden, vooral Vlaanderen.

Duur

Officieel duurt carnaval van zondag tot en met dinsdag, maar in de huidige praktijk is het vaak zo dat er tussen 11 november en het eigenlijke feest al tal van aan carnaval verbonden festiviteiten plaatsvinden, vooral in de laatste weken voor carnaval. Soms vinden er ook op Aswoensdag nog enkele carnavalsactiviteiten plaats.

Op 11 november (de elfde van de elfde), om precies 11:11u, begint het carnavalsseizoen. In Nederland wordt deze start van het seizoen in vrijwel iedere carnavalvierende plaats met een zekere ceremonie gevierd. De reden voor deze datum ligt bij het getal 11, dat van oudsher het getal van de dwazen en gekken is.

11 november is exact 40 dagen voor 21 december, de kortste dag. Toevallig ook de feestdag van Sint Maarten (Het Sint Maartensfeest). Dit is het begin van de donkere periode voor Kerstmis. Maria Lichtmis is op 2 februari, wat weer exact 40 dagen na Kerstmis is.

Elk jaar wordt er door elke carnavalsvereniging weer een prins en een of meerdere adjudanten uitgeroepen. Bij sommige verenigingen worden er ook jeugdprinsen en jeugdadjudanten gekozen.

Verspreiding

Het carnavalsfeest wordt in Nederland vooral gevierd in Noord-Brabant, Limburg, gemeente Hulst, gemeente Sluis, Rijk van Nijmegen, Over-Betuwe, Lingewaard, De Liemers, Arnhem en Twente (met name Oldenzaal, maar ook in de kerkdorpen van de gemeente Tubbergen als Albergen, Geesteren, Langeveen, Reutum etc.) Ook in de gemeenten Dinkelland en Losser wordt het in alle kernen gevierd (O.a. in de dorpen Knollenland (Weerselo), Nettelkornkesnust (Deurningen), het Soaseler Koffielaand (Saasveld) en het Köttelperendorp Denekamp)). Daarnaast zijn er ook in de katholieke delen van West-Friesland en Salland (met name in Vilsteren, Hoonhorst Lemelerveld Raalte en Zwolle) alsook in de katholieke enclaves op Zuid-Beveland en de katholieke delen in de overwegend hervormde Achterhoek carnavalsfeesten. In de Randstad, te weten in Delft en de Bollenstreek, en in het groene hart, gemeente Reeuwijk, gemeente Boskoop, gemeente Westland en gemeente IJsselstein , wordt carnaval gevierd. In het Groningse Ter Apel en Kloosterburen, en in nabijgelegen Drentse dorpen als Barger-Compascuum, Barger-Oosterveld en Zwartemeer wordt het carnaval ook zeer groots gevierd. In de jaren '60 zijn ook in de dorpen van de Noordoostpolder carnavalsverenigingen ontstaan. waarbij de Leutdelvers uit Rutten de oudste zijn. Groots als de hoogtijdagen van de jaren '70 wordt het hier niet meer gevierd. Wel wordt er een kentering waargenomen, Carnaval heeft na de dip uit eind jaren '90 weer een opleving en toename in belangstelling van vele polderbewoners en ver daarbuiten. In Groesbeek, dichtbij Nijmegen, is de grootste carnavalsoptocht van Gelderland met maar liefst meer dan 170 carnavalswagens. Over de locatie van de grootste optocht boven de rivieren is nog altijd geen duidelijkheid. Dit zou kunnen zijn Oldenzaal of Montfoort. Beiden zeggen ze dat het bij hén plaats vindt.

Soorten carnaval

Nederland kent twee varianten op het carnavalsfeest; het Rijnlands en het Bourgondisch carnaval. De carnavals komen op veel vlakken overeen, maar zijn mede door hun oorsprong en unieke eigen tradities ook eenvoudig van elkaar te onderscheiden. Naast de ontstaansgeschiedenis worden hieronder ook enkele van de opvallendste verschillen vermeld.

Tradities

Sleuteloverdracht.

Bij carnaval ontvangt de Prins carnaval op de eerste dag van het carnaval de symbolische sleutel van de stad/dorp uit handen van de burgemeester; die 3 dagen lang 'de macht' aan hem overdraagt.

Dweilorkesten.

Bij Bourgondische carnavals is het gebruikelijk dat dweilorkesten tijdens het feest voor het grootste deel van de muziek (in de cafés/zalen) zorgen. In Limburg zijn de kapellen (Zaate Hermenie of Joekskapel) meer beperkt tot buiten spelen. Dit levert meteen een groot verschil op tussen beide varianten: Bourgondisch wordt binnen gevierd en Rijnlands wordt buiten gevierd.

11 november.

Bij zowel het Rijnlandse en het Bourgondisch carnaval speelt 11-11 een belangrijke rol. In Limburg worden om 23/11:11u de eerste vergaderingen van de Raden van Elf gehouden, ter voorbereiding op de komende carnaval. In Brabant worden op datzelfde moment de nieuwe carnavalsmotto's bekendgemaakt. Carnavalsoptochten. In veel plaatsen worden grote carnavalsoptochten gehouden met praalwagens, georganiseerd en gemaakt door de carnavalsverenigingen, vaak met een bepaald thema.

Prins en gevolg.

Een herkenbaar fenomeen tijdens het carnaval is de aanwezigheid van de prins en zijn gevolg. De opmaak van dit gevolg verschilt per regio, de Prins en nar zijn echter vrijwel universeel.

Betogen in dialect.

Betogen in dialect worden in beide vormen gehouden. In Brabant wordt deze persoon een tonpraoter of sauwelaar genoemd, en zit ook daadwerkelijk in een ton, in Limburg een buuttereedner of buutteredner en in Zeeland een ouwoer. Allen houden een cabaretesk betoog in dialect, waarin allerlei actuele zaken de revue passeren. Vaak worden daarbij lokale situaties en bekendheden uit de lokale en regionale politiek op de korrel genomen.

Rijnlands carnaval

De Rijnlandse variant, die in de hele provincie Limburg en het oosten van Noord-Brabant gevierd wordt, is gebaseerd op de carnavalsviering in steden in het westen van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Vooral Keulen, dat zich op haar beurt weer veel op het carnaval van Venetië baseerde, heeft een grote invloed op de aard van dit carnaval gehad. Tegen het eind van de 19e eeuw werd het carnavalsfeest in het Rijnland gebruikt als een ludiek protest tegen de imperialistische (en protestantse) Pruisen die het gebied annexeerden. Veel van de huidige tradities kunnen hiernaar herleid worden.

Oude Wijven.

In de week vóór carnaval worden zogenaamde Oude Wijvenavonden gehouden. Tijdens 'Oude Wijven' zijn de kroegen en de straten bevolkt door verklede vrouwen. Mannen die zich op straat en in de cafés naar binnen wagen lopen gevaar vernederd en weggejaagd te worden. Tot de ingeburgerde traditie op deze dag behoort het afknippen van de stropdassen (soms ook de schoenveters) die de mannen dragen. Deze traditie is vooral in Zuid-Limburg wijdverbreid. In Venlo heeft deze traditie een geheel eigen naam, namelijk Truujendaag. Deze naam is vermoedelijk afgeleid van de eigengereide Venlose stadsfiguur Gertruid Bolwater, die bij een belegering van de stad enkele vijandige soldaten versloeg en een andere soldaat het vaandel uit de handen rukte.

Carnavalsverenigingen.

Rijnlandse carnavalsfeesten worden gedomineerd door carnavalsverenigingen. Deze verenigingen, waarvan er soms meerdere per stad of dorp zijn met ieder een eigen prins en raad van elf, organiseren tijdens het carnaval hun eigen feesten voor zowel leden als niet-leden van de vereniging.

Kleding.

Traditionele kleding bestaat uit uitgebreide kostuums. Sommigen kopen een compleet thematisch kostuum in een feestwinkel, weer anderen maken hun kostuums zelf. Omdat het Rijnlands carnaval ook merendeel buiten plaatsvindt, zijn de kostuums ook warmer. De kostuums zijn uitgebreider en meestal uit meerdere lagen opgebouwd. Gewone jassen om het niet koud te krijgen worden nooit over de carnavalskleding gedragen. Hooguit eronder.

Kleuren.

Het Rijnlands carnaval heeft drie officiële kleuren die overal terugkomen. Dit zijn rood, geel en groen.

Bourgondisch carnaval

Het Bourgondisch carnavalsfeest is de variant die in de meeste plaatsen in Noord-Brabant, Gelderland Land van Maas en Waal en Katholiek Zeeuws-Vlaanderen en een aantal plaatsen op Zuid-Beveland traditioneel aanwezig is. Zij vindt haar oorsprong in de welvarende steden van het Hertogdom Brabant en Graafschap Vlaanderen ten tijde van de Bourgondische Nederlanden. De insteek van het Bourgondische carnaval was oorspronkelijk dat van een gekostumeerd eetfestijn waarbij men elkaar belachelijk maakte. Door de grote armoede die heerste in Brabant vanaf de bloeitijd van de Gouden Eeuw tot de Tweede Wereldoorlog wordt het traditionele feest gekenmerkt door (schijnbaar) eenvoudige kostuums; waarvan de beroemde blauwe boerenkiel met zakdoek wellicht het meest iconisch is.

Plaatsnamen.

Het is gebruikelijk voor steden met een Bourgondische carnavalstraditie (ofschoon er ook in Oostelijk Nederland enkele plaatsen met als basis het Rijnlands carnaval dit doen) om de naam tijdens carnaval te veranderen. Enkele voorbeelden zijn: Kielegat: Breda, Strienestad: Steenbergen, Kruikestad: Tilburg, Krabbegat: Bergen op Zoom, Kaaiendonk: Oosterhout, Lampegat: Eindhoven, Oeteldonk: 's-Hertogenbosch, Pierewaaiersrijk: Moergestel en Bakel, Krabberdonk: Den Dungen, Tullepetaonestad: Roosendaal, Zandhazendurp: Rosmalen en Schoenlapperslaand: Waalwijk.

Carnavalsstichting.

De hoofdlijnen van het carnavalsfeest (hoofdbal, sleuteloverdracht, optochten) zijn in handen van één stichting. De stichting kiest één prins (en gevolg) uit. Er is dus maar één prins per stad of dorp.

Motto.

Veel, maar niet alle, Bourgondische carnavals hebben een officieel motto. Dit is vaak een gevleugelde uitspraak in plaatselijk dialect. In de optocht kunnen mensen zich dan naar het motto optuigen en wellicht een prijs winnen.

Kleding.

Traditionele kleding bestaat uit oude kledingstukken, gordijnen, blauwe kielen en zakdoeken met allerlei accessoires. Vooral in het westen van Noord-Brabant ziet men dit in groten getale terug. Bourgondisch carnaval vindt veelal binnen plaats in cafés en in zalen. Daar is het warmer, dus de kleding is ook minder dik en bestaat uit minder lagen. Om van en naar de verschillende feestlocaties te gaan, hebben velen oude jassen aan om het buiten niet koud te krijgen.

Carnaval in België

In België wordt carnaval bijna overal gevierd. Carnaval wordt gevierd van zondag tot woensdag, en in sommige steden vindt op woensdag een 'popverbranding' plaats. Er lopen tijdens carnaval soms wel 70 groepen door de straten. Traditioneel krijgt Prins carnaval tijdens carnaval de macht over de stad. Als een prins driemaal wordt verkozen, wordt hij in sommige steden keizer. Onder meer in Aalst is er een keizer. Deze zit dan soms ook in de Raad van Elf.

De oudste carnavalsstoet van Vlaanderen (sinds 1892) is die van Herenthout in de provincie Antwerpen. De Herenthoutse carnavalsstoet is gegroeid vanuit het theater en is zich verder blijven profileren als een van straattoneel en dansen. Dit in tegenstelling tot de eerder passieve voorbijtrekkende optochten met het accent op rijkelijk uitgedoste deelnemers en praalwagens. In 1978 bevestigde minister Rika De Backer van Nederlandse cultuur dat Herenthout de oudste georganiseerde Vastenavondstoet van België heeft tot het tegendeel bewezen wordt. Op zondag 9 maart 1851 trok de eerste carnavalsstoet door de straten van Aalst. Dit wordt echter niet erkend omdat dit geen georganiseerde stoet was. Een georganiseerde stoet was er pas in 1923 te Aalst.

In Wallonië is Binche de carnavalsstad, met zijn historische Gilles en met hun traditionele kostuums zijn wereldvermaard. Lange tijd dacht men dat het carnaval voor het eerst in 1549 georganiseerd werd door Maria van Hongarije ter ere van een bezoek van haar broer keizer Karel V en zijn zoon Filips II, maar deze theorie is niet langer houdbaar, want er zijn al verwijzingen naar een carnaval in Binche in 1395. Sommige verwijzingen naar de Nieuwe Wereld vinden mogelijk wel hun oorprong in de feestelijkheden die Maria destijds in haar paleis inrichtte. Hovelingen zouden zich toen hebben verkleed als indianen, ter ere van de veroveringen van Francisco Pizarro op de Inca's. In 2003 plaatste de UNESCO het carnaval van Binche op de Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid. Ook Stavelot is bekend van de Blancs-Moussis.

In Nederlandstalig België viert Limburg het Rijnlands carnaval, zoals in Duitsland, maar het grensgebied van Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant kent een meer anarchistisch straatcarnaval met als goed voorbeeld Aalst. Aan de Aalsterse zondagsstoet nemen meer dan 70 plaatselijke groepen deel, met elk jaar een ander lokaal, nationaal of internationaal thema dat ze hekelen met prachtige praalwagens. Losse groepen haken in op de allerlaatste actualiteit. De dinsdag is er een Voil-Jeanettenstoet: in vrouwenkleren gestoken mannen met kinderkoets, kapotte paraplu en haring in een vogelkooi zijn dan meester van de straat. Elk jaar verschijnen verscheidene cd's met liedjes in het Oilsjters (Aalsters) dialect. Sinds 2010 is het carnaval van Aalst opgenomen in de Lijst van Meesterwerken van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid van de UNESCO.

Ook in Ninove en Halle wordt carnaval uitbundig gevierd. In Ninove is het carnaval exact één week na Aalst en tijdens de vierdaagse van het Carnaval staat er ook een kermis. Het Carnaval loopt door het kermisgebied. In Halle vindt carnaval plaats met Laetare of Halfvasten. In tegenstelling tot elders kiest men in Halle geen prins carnaval maar een prinsenkoppel (prins + prinses carnaval).

In Limburg worden stoeten georganiseerd van zaterdag voor carnaval tot en met paasmaandag. Vooral in het Maasland, van Kessenich tot Lanaken wordt het carnaval uitbundig gevierd. Reeds vanaf 11/11 tot en met half vasten vinden wekelijks vele carnavalsactiviteiten plaats doorheen het Maasland. Bijna ieder kerkdorp heeft er z'n raad van elf, prins en ook optocht. In Lanaken heerst er overigens nog het echte straatcarnaval. Op zaterdag is er het aaijdwieverbal, op carnavalszondag trekt de optocht door het centrum, maandag en dinsdag is er het onvervalste Laoneker straatcarnaval met als apotheose de heksverbranding op kerkplein om 23u11. Tot slot vindt op woensdag in alle cafés het haringhappen plaats.

Een andere traditie die al jaren plaats vindt aan de Maaskant, is het uitbrengen van een cd met 20 carnavalsnummers in het plaatselijke dialect. Op deze cd, genaamd Vastelaovend aan de Maaskant, staan 20 zangers en groepen uit heel het Maasland. De cd-voorstelling vindt ieder jaar in een ander Maaslands kerkdorp plaats.

Carnaval in Duitsland en Zwitserland

In verschillende delen van Duitsland, zoals bijvoorbeeld in het Rijnland wordt carnaval gevierd. Ook daar vindt men de typische verschijnselen zoals buutreders (redenaars die staan of zitten op of achter een "Bütt", gewoon Duits: "Bottich" = biervat), zittingen, optochten, verklede mensen en bier. De optochten vinden meestal op Rosenmontag plaats.

Bekende carnavalssteden zijn Aken, Düsseldorf, Duisburg, Keulen, Krefeld en Mainz; kortom in de hele regio Nederrijn wordt het Carnavalsfeest gevierd. Münster heeft op Rosenmontag een grote optocht, waaraan ook wagens en groepen uit Twente deelnemen die op de zaterdag ervoor aan de optocht in Losser deelgenomen hebben. Deze optocht wordt ook in samenwerking met het overkoepelend lossers carnavals orgaan de gaffel aoskes georganiseerd.

In Zuid-Duitsland waar het feest ("Fasching") ook uitbundig gevierd wordt, bestaat een aantal specifieke carnavalstradities. Hier, met name in het Zwarte Woud en in de stad Neurenberg, zien we, evenals in het aangrenzende Zwitserland, o.a. met grote koebellen uitgeruste, duivelachtige figuren ("Scheller"). Deze figuren gaan mogelijk terug op oude, voorchristelijke vruchtbaarheidsriten (zie ook Kukeri en Krampus, met resp. koebel en ketting).

Traditioneel is de "Altweiberfassnacht", op donderdag voor carnaval, waarbij de vrouwen uitbundig feestvieren, en als ze de kans daartoe krijgen, met een schaar de stropdas afknippen van mannen die er een dragen.

Bron: Wikipedia