Sint Maarten

Het Sint-Maartenfeest wordt op 11 november, of soms de avond ervoor, gevierd in sommige streken van Vlaanderen, Noord-Frankrijk en Nederland.

Het is de naamdag van Martinus van Tours en wordt ook wel "keuvelen", Sint-Martinus, Sinter Merte of Sinte-Mette genoemd. De invulling die aan dit feest gegeven wordt verschilt van streek tot streek.

Verspreiding


Nederland

In Nederland komt de viering voor in delen van dat land, soms nog maar recent onder invloed van inwijkelingen, soms omdat de stad een eigen band met de figuur Sint-Maarten heeft.

In Utrecht, waar Sint-Maarten de schutspatroon van is, is een Sint-Maartensberaad opgericht om Utrecht als Sint Maartenstad te promoten. Het Sint-Maartensberaad laat echter de minder positieve elementen van Sint-Maarten, zoals zijn gewelddadige optredens[1] jegens andere culturen en geloven, buiten beschouwing.

Niet in iedere streek lijkt de traditie even sterk te leven; in Limburg, Noord-Holland en Groningen werd in 1997 vastgesteld, dat in deze provincies de Sint-Maartenviering nog vrij actueel was. In de provincies Friesland, Drenthe en Noord-Brabant bleek een vermeerdering van vieringen te zijn waargenomen. In mindere mate wordt Sint-Maarten gevierd in Zuid-Holland en Zeeland en in delen van Overijssel, Flevoland en Gelderland.

Dat het feest niet verdwijnt, maar zich integendeel verder verspreidt, wordt geïllustreerd door de ontwikkeling in Amsterdam. Het feest werd hier al honderden jaren niet meer gevierd, tot het in de laatste tientallen jaren van de twintigste eeuw in de buitenwijken opdook onder invloed van omliggende gemeenten in de meer agrarische gebieden. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw verschenen aan de welgestelde Amsterdamse grachten de eerste lampionnen. Aan de overkant van 't IJ in het Amsterdam-Noord van vlak na de Tweede Wereldoorlog, werd "Sinteremaarten" gevierd met een tot lampion uitgesneden koolraap, suikerbiet of voederbiet, overeenkomstig de Duitse Rübengeistern, Raapgeesten, of de oorspronkelijke Ierse Jack-o'-lantern, onderdeel van de oeroude tradities van dankfeesten voor Licht, Warmte, Gewas en Oogst. Inmiddels is het Sint-Maartenlopen ook in Amsterdam een levende traditie.

De (cor)relatie van het feest met religie is niet sterk. In Nederland wordt het Sint-Maartenfeest gevierd door kinderen van alle gezindten. In veel liedjes wordt nauwelijks aandacht aan de religieuze achtergrond besteed. De liedjes hebben vaak een humoristisch karakter en het repertoire wordt ieder jaar aangevuld met parodiërende of satirische teksten.

België

In België is de traditie in leven in West-Vlaanderen (Alveringem, Ieper, Langemark-Poelkapelle, Ardooie, Veurne, Koekelare, Ichtegem, Lichtervelde, Loppem), de streek rond Aalst en een paar (deel)gemeenten van en rond Dendermonde. Mechelen, deelgemeente Hombeek en omliggende plaatsen waaronder Weerde en Peutie en plaatsen met een Sint-Martinuskerk zoals Sint-Martens-Lennik en Beveren-Waas kennen een levendige traditie. Olen, Retie en Wezel -tenmidden de Antwerpse Kempen- stoken een Sint-Maarten(s)vuur. In Belgisch-Limburg vindt men tradities die gelijken op die in Nederlands-Limburg, maar ze zijn minder actueel dan in Nederland. Elders in het land wordt Sint-Maarten niet traditioneel gevierd: er zijn concerten of feesten. De vieringen vallen vaak samen met de herdenkingen van de wapenstilstand.

Over het algemeen is Sint-Maartenviering in Vlaanderen minder wijdverspreid dan in Nederland, wat echter niet wil zeggen dat de traditie in niet intensief gevierd wordt.

Elders

Ook in Noord-Frankrijk, in Frans-Vlaanderen en Zwitserland wordt Sint-Maarten (Saint Martin) gevierd. In Oost-Friesland kent men het Martinisingen waarbij onder andere Peepernööten gegeven worden.

In Oostenrijk en delen van Duitsland eet men op deze dag traditioneel gans, het zogenoemde Martinigansessen of Martinsgansessen. Deze traditie komt voort uit de legende dat Sint Maarten te bescheiden was om zich tot bisschop te laten wijden en zich daarom verstopte, ganzen verraadden hem echter door hun gesnater. Een andere legende vertelt dat een stel ganzen onder de preek de kerk binnenliep en de preek verstoorden, de ganzen werden daarom gevangen en opgegeten.

In delen van Duitsland, Oostenrijk en Zuid-Tirol kent men ook het Sint-Maarten lopen. Men gaat met lantaarns door de straten, vaak begeleid door iemand die met een rode mantel om als Romeins soldaat verkleed is en op een schimmel zit. Deze man stelt Sint-Maarten voor. Men noemt dit de Martinsritt. De kinderen zingen liederen en als afsluiting is er een kampvuur dat Martinsfeuer genoemd wordt.

In de Nederrijnregio wordt Sint-Maarten tijdens de lampionoptocht begeleid door een fanfarekorps. Na de optocht wordt de manteldeling nagespeeld, er is een korte toespraak door de Sint-Maartenfiguur en vervolgens krijgen de kinderen een papieren zak, de Martinstüte, die gevuld is met snoepgoed, fruit en een Weckmann. Deze Martinstüte wordt soms ook uitgedeeld aan de bejaarden. Enkele weken voor de optocht wordt in de buurten geld ingezameld om deze gaven te bekostigen.

In het oosten van Oostenrijk wordt op deze dag dikwijls de nieuwe wijn door de pastoor gezegend.

Tradities

Sint-Maarten wordt niet overal op dezelfde wijze gevierd. In sommige plaatsen worden optochten georganiseerd, in andere worden vreugdevuren ontstoken. Algemeen is de lampionnentocht. Deze komt het meest voor in de noordelijke provincies en in Noord-Holland (keuvelen genoemd). De kinderen maken lampionnen of hollen suikerbieten (vergelijk Jack-o'-lantern) uit en gaan met de lichtjes langs de deuren. Daar zingen ze speciale Sint-Maartensliedjes en krijgen in ruil snoep of fruit. Vroeger werd het lichtje rondgedragen in een uitgeholde biet. Hoewel dit nog gedaan wordt, zijn kleurige, door de kinderen gemaakte, lampionnen nu het meest gebruikelijk. In Nederland worden de lampionnen vaak tijdens de schooltijd gemaakt, bijvoorbeeld in de les handenarbeid. Tegenwoordig worden de lampions veelal met behulp van batterijen verlicht. Vroeger werd veel gebruikgemaakt van de foekepot om de liedjes die bij de rondgang werden gezongen te begeleiden. Het Sint-Maartengebruik werd toen "foekepotterij" genoemd.

In de zuidelijke provincies en in Vlaanderen komt het langs de deur gaan veel voor, soms in combinatie met een vreugdevuur of een optocht. In sommige West-Vlaamse dorpen wordt het van deur tot deur gaan "ruusbuzen" genoemd, naar de eerste woorden van het liedje dat de kinderen zingen ("Ruus buus buus").

In Mechelen ligt de nadruk wel expliciet op het langs de deuren gaan. Kinderen gaan vaak verkleed, maar dragen geen lampionnen mee, alhoewel sommige deelgemeenten (zoals Rijmenam) wel iets gelijkaardigs kennen. De Mechelse kinderen zingen een eigen, uniek "Sinte Mette lied" (Sinte-Mette van de ruggenuchte). De in het liedje vermelde "kruk" is een draagstoel. Alhoewel dit vandaag bijna niet meer gebeurt, bestond vroeger elke "Sinte Mette"-groep uit een Sint gezeten op een draagstoel, die werd rondgedragen door zijn kompanen. Vandaag de dag houdt het Sinte Mette Genootschap deze Mechelse traditie in stand. Uitzonderlijk voor de regio Mechelen is dat ook de volwassenen Sint-Maarten vierden (de "grote Sinte Mette"), traditioneel op de zondag ná 11 november. Het Genootschap doet dit nu nog met de bedoeling geld in te zamelen dat gebruikt wordt voor de instandhouding van het feest.

De vreugdevuren zijn vooral typisch voor Limburg, meestal in combinatie met een optocht. Men verzamelt zich hier in de kerk waar het verhaal van Sint-Maarten verteld wordt. Vervolgens loopt men in een lampionnenoptocht naar een groot vuur (een zogenoemde troshoop) waar 'de arme man' van het vertelde verhaal zich kan warmen. De kinderen krijgen traditioneel een oliebol uitgereikt. In Herk-de-Stad (Sint-Martinus gemeente) worden er met Sint-Maarten pannenkoeken gebakken. In een groeiend aantal dorpen komt het ook voor dat kinderen buiten de viering om van huis naar huis gaan om een lied te zingen en beloond te worden. De Sint-Maarten viering wordt meestal de vrijdag of zaterdag voor de 11e november gevierd om geen overlap te creëren met de start van het carnavalsseizoen (de 11e van de 11e). Ook buiten Limburg komen hier en daar vreugdevuren voor.

Optochten worden tegenwoordig vooral in West-Vlaanderen gehouden, vooral in de streek rond Veurne en Ieper. Deze stoeten vinden meestal plaats aan de vooravond van de naamdag, dus op 10 november. Sint-Maarten gaat hier vergezeld van Zwarte Piet. Samen lopen zij vooraan in de stoet en de kinderen met hun bieten volgen. Na de stoet (waar soms ook de plaatselijke fanfare of harmonie in meeloopt) kunnen de kinderen in veel gemeenten een zak met lekkernijen halen (mandarijnen, chocolade, picknicken, Onze-Lieve-Vrouwtjes, speculaas, marsepein en Sint-Maartenskoeken). Op 11 november zelf krijgen de meeste kinderen nog meer lekkernijen en speelgoed.

In en rond Ieper vallen deze vieringen vaak samen met de verschillende herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog. In Ardooie, waar Sint-Maarten de patroonheilige is, gaat ieder jaar een avondstoet door de straten, volledig in het teken van Sint-Maarten en het begin van de winterperiode. Elk jaar komen duizenden toeristen op dit spektakel af.

Overlapping met sinterklaasfeest

In bepaalde streken in Vlaanderen neemt Sint-Maarten de taak van Sinterklaas over. Het sinterklaasfeest wordt hier traditioneel niet of veel minder uitgebreid gevierd. De verschillen van dorp tot dorp kunnen groot zijn. In de West-Vlaamse stad Wervik bijvoorbeeld komt in de ene wijk op 11 november Sint-Maarten langs met speelgoed, en in de andere wijk Sinterklaas op 6 december. Dendermonde kent een soortgelijk fenomeen. In Sint-Gillis (een deelgemeente) komt Sint-Maarten, terwijl centrum Dendermonde Sinterklaas over de vloer krijgt. Ook in Ieper en omgeving en in het Oost-Vlaamse Aalst en Beveren wordt meestal Sint-Maarten gevierd. Deze drie steden hebben een Sint-Martinuskerk als hoofdkerk.

In Ieper komt Sint-Maarten de avond voor 11 november aan met de boot. Dan staan alle kinderen hem en zijn pieten op te wachten aan de kaai (Ieperlee). Daarna gaan ze in een grote stoet naar de Grote Markt. In Sijsele (een Sint-Martinusgemeente) wordt er dan weer enkel een Sint-Maartenstoet gehouden (op de vrijdagavond het dichtst bij de 11de november), maar speelgoed krijgen de kinderen alleen bij Sinterklaas. In Loppem (eveneens een Sint-Martinusgemeente) bellen de kinderen op 10 november aan bij alle huizen om lekkers te krijgen.

In Aalst komt Sint-Maarten de zaterdag voor 11 november officieel met de boot aan en wordt hij in een koets naar zijn troon op de Grote Markt gereden. Op 11 november ontvangt hij op de massaal bijgewoonde jaarmarkt de kinderen. Ook in de omgeving van Aalst, zoals Lede en een deel van Erpe-Mere, komt Sint-Maarten langs. Ook in Veurne, Zele, Lebbeke, Sint-Gillis en Opwijk vervangt Sint-Maarten Sinterklaas. Meestal komt hij in de nacht van 10 op 11 november. Opmerkelijke verschillen zijn dat de Sint in de hemel woont en niet in Spanje, dat hij slechts één Zwarte Piet heeft, en dat zijn rijdier een ezel is en geen schimmel.

Veurne is zo'n beetje de enige stad die beide heiligen, zowel Sinterklaas als Sint-Maarten, verwelkomt. In Veurne is er de Sint-Niklaaskerk, met een marmeren beeld onder de predikstoel gewijd aan Sint-Niklaas. Maar ook Sint-Maarten wordt in Veurne vereerd. Elk jaar op de vooravond van 11 november wordt er net zoals in Ieper een Sint-Maartenstoet gehouden. Meestal worden er bij het Sint-Maartenfeest kleren aan de kinderen gegeven, en speelgoed bij het sinterklaasfeest.

Geschiedenis

Over de ontstaansgeschiedenis van het feest zijn veel speculaties. Vaak wordt verondersteld dat het feest teruggaat op een Germaans winterfeest, maar ook een zuiver kerkelijke oorsprong is mogelijk. Wel duidelijk is dat de ontwikkeling tot algemeen, door alle gezindten gevierd, volksfeest tamelijk recent is.

Oorsprong

De Schotse antropoloog James George Frazer veronderstelt een heidense oorsprong van het feest: het ronddragen van het (heilige) vuur zou een voorchristelijk vruchtbaarheidsritueel zijn, wijdverspreid over West-Europa. Het heidense ritueel zou dan door de kerk zijn overgenomen, vooral om het vertrouwen van de bevolking te winnen.

Veel andere onderzoekers stellen echter dat er niets heidens aan het feest valt op te merken. De Duitse volkskundige Dietz-Rüdiger Moser stelt dat het feest door de kerk is geïntroduceerd. In Lucas vinden we de tekst: Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien (Lukas 11:33 e.v.). Deze regels uit het evangelie werden vaak op 11 november voorgedragen en in de mis besproken. Moser neemt aan dat door deze voorlezing in de mis de bevolking werd aangespoord tot een lichtjesfeest.

Moderne onderzoekers houden vaak het midden tussen beide standpunten. Sint-Maarten is een bedelfeest, en bedelfeesten waren nodig in de moeilijke wintermaanden. Bedeloptochten zoals met Sint-Maarten werden en worden (in Vlaanderen) ook gehouden met Driekoningen of met Nieuwjaar, en ook het Sinterklaasfeest heeft kenmerken van een bedelfeest.

Ontwikkeling in de 20e eeuw

Als bedelfeest was Sint-Maarten lange tijd een feest voor de armen. Rijke burgers zagen hun kinderen er liever niet aan mee doen. Pas in de jaren '20 en '30 van de 20e eeuw veranderde deze houding. Het Sint-Maarten werd nu juist gezien als een mooie, eigen traditie, die behouden moest worden.

Omdat 11 november na de Eerste Wereldoorlog ook de dag werd waarop deze oorlog werd herdacht, is wel geprobeerd het feest een wereldlijke lading mee te geven. Het zou dan een vredesfeest moeten zijn. Dit heeft men uiteindelijk niet doorgezet. Het feest is, vooral in Nederland, juist vrij van enige religieuze of politieke lading, wat zeker bijdraagt aan de grote populariteit ervan.

In Vlaanderen is het vieren van Sint-Maarten beperkt tot de genoemde regio's, en hierin lijkt geen verandering te komen. Het is eerder zo dat het feest steeds minder wordt gevierd, met name in Belgisch Limburg, waar vroeger veel meer Sint-Maartensvuren moeten hebben voorgekomen. In Nederland is de situatie omgekeerd: in de 20e eeuw is het feest alleen maar populairder geworden, en steeds meer regio's organiseren vieringen. Typisch is de geleidelijke opkomst van het gebruik in Amsterdam (zie boven). Ook in de regio's waar het feest oorspronkelijk al werd gevierd is de traditie nog zeer levend.

Bron: Wikipedia